Sinds 29 mei 2026 gelden er nieuwe eisen voor laadinfrastructuur bij gebouwen. Deze zijn vastgelegd in de herziene Europese richtlijn Energy Performance of Buildings Directive (EPBD IV). Vanaf 1 januari 2027 worden de verplichtingen verder uitgebreid naar bestaande utiliteitsgebouwen. Maar wat houdt dit precies in en welke eisen gelden voor welk type gebouw?
De EPBD IV is een Europese richtlijn die als doel heeft om de energieprestatie van gebouwen te verbeteren. Onderdeel hiervan zijn strengere eisen voor laadinfrastructuur, zodat gebouwen beter worden voorbereid op elektrisch vervoer.
Nederland heeft deze eisen opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De eerste aangescherpte verplichtingen zijn op 29 mei 2026 ingegaan. Vanaf 2027 komen daar nieuwe eisen bij.
De verplichtingen verschillen per gebouwtype en zijn afhankelijk van het aantal parkeerplaatsen. Voor nieuwbouw en ingrijpende renovaties gelden de volgende eisen.
Bij nieuwe woongebouwen en ingrijpende renovaties met meer dan drie parkeerplaatsen geldt:
Bij ingrijpende renovatie van bestaande woongebouwen is het aanleggen van een laadpunt dus niet verplicht, maar moet de infrastructuur wel worden voorbereid.
Voor nieuwe en ingrijpend gerenoveerde niet-woongebouwen met meer dan vijf parkeerplaatsen gelden strengere eisen:
Hierbij gaat het bijvoorbeeld om kantoren, winkels, scholen en andere gebouwen zonder woonbestemming.
Vanaf 1 januari 2027 gelden er ook verplichtingen voor bestaande utiliteitsgebouwen met meer dan twintig parkeerplaatsen.
Deze gebouwen moeten beschikken over minimaal één laadpunt per tien parkeerplaatsen. Als alternatief kan worden gekozen voor leidingdoorvoeren voor 50% van de parkeerplaatsen op toekomstige laadinfrastructuur.
De verplichting geldt daarmee niet alleen meer bij nieuwbouw en ingrijpende renovaties, maar ook voor bestaande gebouwen die aan de voorwaarden voldoen.
De EPBD IV brengt nieuwe verplichtingen voor laadinfrastructuur met zich mee. Maar wat betekenen deze regels precies en wanneer zijn ze van toepassing? Hieronder beantwoorden we de belangrijkste vragen kort en duidelijk.
Ja, als de parkeerplaatsen bij het gebouw horen, dezelfde eigenaar hebben en bedoeld zijn voor gebruikers van dat gebouw. Openbare parkeerplaatsen op gemeentegrond vallen hier niet onder.
Ja. De regelgeving maakt voor het aantal verplichte laadpunten geen onderscheid tussen AC- en DC-laden. Een laadpunt is een aansluiting waarmee één voertuig tegelijk kan worden opgeladen.
Netcongestie betekent niet automatisch dat er geen maatregelen nodig zijn. Volgens RVO kunnen bijvoorbeeld dynamic load balancing en voorbereidende infrastructuur mogelijkheden bieden om binnen de beschikbare netcapaciteit aan de eisen invulling te geven.
De EPBD IV maakt onderscheid tussen twee vormen van voorbereidende laadinfrastructuur.
Voorbekabeling betekent dat de benodigde infrastructuur wordt voorbereid om op een later moment laadpunten aan te sluiten. Hierbij kunnen kabels of tijdelijk trekdraden worden aangebracht.
Leidingdoorvoeren zijn lege doorgangen of buizen waardoor later kabels kunnen worden aangelegd. Denk aan mantelbuizen onder parkeerterreinen of gereserveerde ruimte in kabelgoten.
Het verschil is belangrijk, omdat per gebouwtype verschillende eisen gelden.
Volgens RVO is sprake van een ingrijpende renovatie wanneer meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil wordt verbouwd.
De eisen voor laadinfrastructuur gelden daarbij alleen wanneer de renovatie ook betrekking heeft op het parkeerterrein, de parkeergarage of de elektrische infrastructuur van het gebouw of de parkeerplaatsen.
Er geldt bovendien een mogelijke uitzondering wanneer de kosten voor laadinfrastructuur meer dan 10% van de totale renovatiekosten bedragen. Dit moet met offertes worden onderbouwd en wordt door het bevoegd gezag beoordeeld.